Lezing Dr. Verboom

Professor dr. W. Verboom voelt zich thuis bij Jan Rap en z’n maat

30-03-2012 19:39 | Wim van Egdom
 Prof. dr. W. Verboom

Prof. dr. W. Verboom

Het nieuwste boek van prof. dr. W. Verboom, ”Vrees en vreugde”, geeft een uniek kijkje achter de voordeur van de hervormde pastorie in Benschop eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Eerlijk beschrijft hij de twijfel aan z’n roeping, z’n missers en z’n falen. Met als doel jongere predikanten te bemoedigen. „Ik moest allemaal dingen doen die ik echt niet kon. Maar omdat God riep, kon het toch.”

Prof. dr. Wim Verboom noemt zichzelf wel irenisch-gereformeerd. „Hoe mensen me boos moeten krijgen? Dat weet ik zo niet. Misschien als ze zeggen dat Verboom alles van de mens verwacht. Maar dan word ik vooral boos omdat het niet waar is.”

Vredelievendheid is een van z’n meest in het oog springende karaktertrekken. „Maar het is niet alleen een kwestie van karakter. Het heeft ook alles te maken met denken in de lijn van het verbond. In het verbond omarmt God mensen die totaal verschillend zijn. Dus hebben wij elkaar ook te aanvaarden.”

Het centrale woord in zijn leven valt binnen enkele minuten: verbond. „Misschien heeft het er wel mee te maken dat mijn moeder is overleden toen ik nog maar één jaar oud was. Enkele maanden voor haar dood heeft ze mij ten doop gehouden. Dat was, om het zo te zeggen, haar laatste daad voor mij. Daar heb ik later veel over nagedacht en dat heeft diepe indruk op me gemaakt. Ik ben nooit meer van de grote waarde van het verbond losgekomen.”

Wim Verboom komt uit een bevindelijk nest, zoals hij het zelf omschrijft. „Mijn vader was voorganger in een hervormde evangelisatie in Friesland. We waren verschillend, ook in onze ligging. Maar ik heb wel ontzettend veel van hem geleerd. Theologisch gezien was hij een man van ds. P. Zandt. Ik zat meer op de lijn van dr. Woelderink. Een andere insteek, maar wel was er veel wederzijds respect en herkenning. Het was een grote slag voor me toen hij stierf.”

Dr. Verboom, die van 2001 tot zijn emeritaat in 2006 hoogleraar was aan de Leidse universiteit, wordt in de volksmond soms wel dr. Verbond genoemd. Hij ziet het als een erenaam. „Wat kunnen ze beter van je zeggen?”

Er kan iets denigrerends in doorklinken.

„Ach, daar zit ik niet zo mee. Mensen die het denigrerend bedoelen, zitten vaak zo vast in allerlei denkschema’s en voorstellingen dat ik hun dat niet echt kwalijk kan nemen.”

In uw boek schrijft u dat een dominee u in de Benschopse periode „een armzalig Bondertje” noemde.

„Hij had nog gelijk ook. Het is trouwens ook nooit veel beter meer geworden met me. Ik heb m’n hele leven dingen moeten doen die ik echt niet kon. Ik ben nu 70 jaar oud en ik zie nog steeds op tegen elke preek die ik houden moet. En wat dacht je van het hoogleraarschap? Maar omdat God roept, kon het en kan het. Daarom hecht ik zo aan de diepe notie van het verbond. Daarin gaat het erom wat God doet, niet om wat wij doen. Als het van ons zou afhangen, dan was het niet veel, hoor.”

Verbond en volkskerk liggen voor u in elkaars verlengde.

„Absoluut. Ik voel me thuis bij Jan Rap en z’n maat omdat God met die mensen van doen wil hebben. Er worden geen rechtvaardigen maar goddelozen gerechtvaardigd. Dat is heel wezenlijk voor het denken over de volkskerk. Want voor alle duidelijkheid: de volkskerk is niet de kerk ván het volk, maar vóór het volk. Een heel belangrijk onderscheid. Een volkskerk is dus niet minder volkskerk als het ledental daalt, of de kerken leeglopen. Ook als de mensen er niet meer zijn, blijft God wel. Hij zoekt de mensen op en blijft hen opzoeken. En de kerk dus ook. Dat hoort bij haar wezen en is dus onopgeefbaar.”

Veel predikanten in de Protestantse Kerk in de grotere dorpen en steden herkennen de volkskerk niet meer in hun eigen gemeente. Ze ervaren alleen maar dat de kerk steeds meer naar de rand van de samenleving wordt gedrukt.

„Maar daarom kunnen we de volkskerk nog niet doodverklaren. Het is een andere tijd en de kerkelijke situatie is er een van krimp. Dat ontken ik allemaal niet. Maar het principe blijft: de kerk zoekt de mensen op in hun alledaagse leefwereld. De kerk houdt geen spreekuur, maar gaat naar het volk toe. Daarmee zeg ik natuurlijk niets verkeerds over predikanten die een tijd hebben ingesteld waarop gemeenteleden hen kunnen bellen, maar het gaat om het principe. God houdt, met eerbied gesproken, ook geen spreekuur. Hij is er altijd, in alle situaties van het leven. En dat is dus ook de roeping van de kerk.”

Juist veel gemeenten die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk zijn streekgemeenten waarvoor de leden heel bewust hebben gekozen. Dat is toch meer keuzekerk dan volkskerk?

„Dat heeft alles te maken met de perforatie. Die is destijds ingevoerd om het mogelijk te maken lid te worden in een andere gemeente dan de wijkkerk omdat er wézenlijke verschillen zijn in de prediking. Maar tegenwoordig wordt er ook tussen Bondsgemeenten onderling geperforeerd vanwege accentverschillen. Ik noem dat een teken van de tijd en een aanpassen aan de cultuur. Het kerkelijk besef verdwijnt.”

Hij buigt voorover in z’n stoel en maakt een omarmingsgebaar. „Dát is het verbond. God brengt mensen bij elkaar die verschillend zijn. Die is Hij trouw. Dat is een wezenlijke eigenschap van God: trouw. En wij? Zijn wij trouw aan de gemeente waarin we geplaatst zijn? Of rijden we gerust iedere zondag een flink stuk omdat we zo graag een lied zingen voor de dienst, of dat juist per se niet willen? Is dat trouw? Het brengt ons uiteindelijk de totale versplintering van het kerkelijk leven. Over de hele linie. Dát is de grote bedreiging voor de kerk. Misschien nog wel meer dan de uitholling van de leer. We zijn de trouw kwijt, de loyaliteit. Het individualisme zit in de lucht, we ademen het in, het is om ons heen, we leven erin. Ook in de kerk. En juist daar zou het anders moeten zijn.”

Verbondsautomatisme kan een ander gevaar zijn voor de gemeente.

„Dat ontken ik zeker niet. Maar vaak komt dat doordat we er een systeem van gemaakt hebben. Dan zijn we gedoopt en dus behouden. Maar het verbond roept juist op tot bekering en geloof. Dat kun je niet losmaken van elkaar. En dat heeft weer alles te maken met bevinding. Wat dat betreft, heb ik veel meer met het armezondaarsgeloof dan met dat kunstmatige waarin het allemaal vanzelf gaat. Dan gaat het om het verbond op zich. Of, erger nog: om het verbond dat wíj hebben gesloten met God. Maar daar gaat het helemaal niet om. Het gaat om de Gód van het verbond. Om Zijn trouw, Zijn liefde voor verloren zondaren, Zijn oordeel en genade. Hij heeft nooit beschaamd die het van Hem verwachten. En: Hij heeft ook de kérk nooit beschaamd.”

In de Protestantse Kerk wordt op dit moment veel gesproken over differentiatie om de neergang te keren. Experimenteren met nieuwe vormen van kerk-zijn, gemeenteplanting. Hoe waardeert u dat?

„Positief als ik zie welke liefde en bewogenheid er vaak achter zit bij de initiatief­nemers. Tegelijk is het bij gemeenteplanting wel heel belangrijk in welke grond je plant. Er kan geen andere grond zijn dan die van Gods verbond. Het komt van God, niet van ons. En wat de vorm betreft, wil ik erop aandringen om de ruimte binnen de eigen gemeentelijke structuur te zoeken. Ik weet wel van gemeenten waar een groep zelfstandig verder ging omdat er geen ruimte zou zijn in de moedergemeente. En als je dan later terugkijkt, dan zeg je: Wat heeft het ons nu allemaal gebracht? Zijn we er echt mee opgeschoten? Of hebben we toch weer meegewerkt aan die versplintering? In de volkskerk mogen er best spanningen zijn. Dat hoort erbij, dat is gezond. Maar houd elkaar wel vast. Blijf trouw. Ook aan elkaar. Want God blijft trouw aan ons. En dat en dat alléén is de dragende grond van ons bestaan. Van ons persoonlijk en van de kerk.”

Uw boek is bedoeld ter bemoediging van jonge predikanten. Maar is het predikantschap niet erg veranderd, de afgelopen decennia?

„Dat denk ik wel. En niet altijd ten goede, vrees ik. Het dreigt soms meer een beroep, een functie te worden. Terwijl het een roeping is. In mijn beginjaren was je echt zeven dagen per week 24 uur per dag dominee. En m’n vrouw deed daarin helemaal mee. Nu eisen de gezinnen veel meer tijd op en er zijn ook wel domineesvrouwen die een baan hebben. Ik zeg daar op zich niets verkeerds van, maar weet wel dat het predikantschap nooit een functie mag worden. Ik vergelijk het wel eens met het vaderschap. Je kunt ook niet om halftien op zaterdagavond tegen je zoon zeggen: Nu ben ik eventjes geen vader. Want vader-zijn is niet iets dat je doet. Dat bén je.”

Hoe is het gesteld met de begeleiding van jonge predikanten?

„Formeel gezien een stuk beter dan vroeger. Wij hadden geen mentor, om maar eens wat te noemen. Prof. Van Ruler ging bij iedere student die net als predikant bevestigd was een keer langs. Dan belde hij op zaterdagmiddag dat hij de volgende ochtend in de kerk zou zijn. Nou, dat was wat. Ook ik kreeg in Benschop zo’n telefoontje. Ik was er flink zenuwachtig van. Maar uiteindelijk was hij er zondag toch niet. Niet dat hij trouwens veel kritiek leverde op je preek, hoorde ik van collega’s. Daar was hij de man niet naar. Hij besteedde liever wat aandacht aan de kinderen dan dat hij een zware discussie begon.

En verder mocht ik als beginnend predikant altijd bellen met ds. G. Boer, de voorzitter van de Gereformeerde Bond. Ik heb hem eens gebeld toen ik vastliep in een preek over Elia. En dat was het dan.”

Wordt u wel eens gebeld door een jonge predikant die vastgelopen is bij het maken van de preek, of met zichzelf?

„Dat komt voor. En dan is het belangrijk wat de hulpvraag is. Is iemand psychisch vastgelopen? Dan kan professionele hulp nodig zijn. Een goed gesprek is echt niet altijd genoeg. En als een predikant begeleiding vraagt, probeer ik die te geven. Niet door te zeggen wat hij allemaal verkeerd doet, maar door samen de weg te gaan. Eigenlijk vind ik het voor een jonge predikant nog belangrijker dat er in de gemeente een ouderling is die de rol van begeleider kan vervullen. Ik heb daar zelf altijd veel aan gehad. En dan zeg ik tegen de jonge predikanten: Durf jezelf kritisch tegen het licht te houden. Laat je gezeggen en schiet niet direct in de verdediging als iemand opbouwende kritiek wil geven.

Tegen m’n oudere broeders zou ik willen zeggen: Laten we eens iets meer omzien naar onze jongere collega’s. Al is het maar door echt mee te leven in de gemeente of wijkgemeente waar je thuis hoort. Loop niet voorop, zit niet vooraan, maar doe wel mee.”

Terwijl u in Benschop predikant was, vielen er vier vaderen weg, schrijft u. Uw eigen vader, prof. Van Ruler, ds. G. Boer en uw scriba. Is dr. Verboom nu zelf een vader?

„Zelf zie je dat niet zo. Ik ben nu bijna 71 jaar, maar op de een of andere manier ervaar je dan niet dat je door jongeren gezien wordt als een vaderfiguur. Ik ben vader van vier kinderen en in mijn gang in de kerk heb ik altijd wel iets van een begeleider willen zijn. Dat hebben jonge predikanten ook nodig, zulke mensen. Maar ik heb vóór alles ervaren dat er een Vader in de hemel is Die nooit wegvalt. Dat is het belangrijkste.”


Levensloop Willem Verboom

Willem Verboom werd geboren op 24 juli 1941 in Den Haag als achtste kind in het gezin. In 1968 werd hij bevestigd tot predikant en verbonden aan de hervormde gemeente van Benschop. Daarna stond hij in Waddixveen (1973) en Hierden (1982). In 1986 promoveerde hij op het proefschrift ”De catechese van de Reformatie en de Nadere Reformatie”.

In 1994 werd hij docent catechetiek en symboliek/kerkgeschiedenis aan de kerkelijke opleiding van de Nederlandse Hervormde Kerk aan de Universiteit Leiden. Bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de Universiteit Leiden werd hij in 2001. In 2006 ging hij met emeritaat.